Ecologisch (ver)bouwen is tegelijkertijd gezond, maatschappelijk verantwoord en toekomstgericht (ver)bouwen. Maar waar staat ecologisch eigenlijk voor? En hoe (ver)bouw je ecologisch?

Bouwen is een evenwichtsoefening. Met de strengere regelgeving maakt energiezuinigheid daar nadrukkelijk deel van uit. Maar ook de ecologische voetafdruk komt meer op de voorgrond. Een gebouw moet vele decennia meegaan en moet voorzien worden op eventuele latere aanpassingen. En komt het eropaan een huis af te stemmen op de noden en ambities van de huidige en toekomstige gebruikers. Want enkel als een gebouw blijvend gewaardeerd wordt, kan het blijven bestaan.

Ecologisch bouwen is meer dan het construeren van een huis met driedubbel  glas en zonnepanelen op het dak. Het vergt een integrale benadering, die ermee begint dat je al bij de keuze van de locatie nadenkt over de bereikbaarheid en de transportmogelijkheden. En dat er van in de eerste ontwerpfase wordt gekeken naar de inplanting en oriëntatie. Ook houd je best rekening met de levenscyclus van afzonderlijke componenten en de manier waarop de gebouwde structuren de tand des tijds kunnen doorstaan.

Ecologisch bouwen veronderstelt dat je allerlei prognoses over de toekomst maakt. Innovatieve technologieën kunnen de levensstijl en het gebruik van ruimtes veranderen, ruimtes kunnen andere functies krijgen, mobiliteitsbehoeftes kunnen drastisch veranderen. En niet het minst moet men zich beraadslagen over energie- en waterbehoeftes. Deze prognoses waarborgen een zekere flexibiliteit, zodat het gebouw in een latere fase opnieuw op de behoeftes kan worden afgestemd zonder het milieu ingrijpend te belasten.

DE WET VAN HET TERUGVERDIENEFFECT

Waardengedreven ondernemingen zijn bekommerd om de generaties na ons. Ondertussen ontstaat er een niche in de bouwmaterialenmarkt, waarin de koplopers zich zo goed mogelijk proberen te onderscheiden van het peloton. Hoewel sommigen zich soms iets te graag als ‘groen’ willen profileren, geldt ecologisch bouwen algemeen als het positieve alternatief. Dit alles past in de almaar strengere reglementering waaraan bouwers en verbouwers moeten voldoen: de EPB-eisen.

Alle gebouwen in Vlaanderen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd of een melding wordt gedaan, moeten aan de regelgeving voor Energieprestaties en Binnenklimaat (EPB) voldoen. Gebouwen moeten een standaard voor thermische isolatie en energieprestatie behalen, en ze moeten een gezond binnenklimaat nastreven. De regelgeving legt boetes op aan wie ze niet naleeft, maar beloont anderen die een inspanning leveren om het beter te doen. Zo geeft een woning met een laag E-peil recht op een aanzienlijke vermindering van de jaarlijkse onroerende voorheffing. En afhankelijk van de locatie kan men ook op gemeentelijk, provinciaal en/of gewestelijk niveau een subsidie bekomen. Naast de vele premies en subsidies hebben energiezuinige woningen op lange termijn tal van economische voordelen. Doordat het energieverbruik lager zal zijn, verdient een investering in energie-efficiëntie zichzelf terug. De hogere instapkost wordt zo gecompenseerd door de lagere energiefacturen. Ook zal de woning het beter doen op de vastgoedmarkt. Lage-energiewoningen hebben een hogere marktwaarde. Om de uitstoot van schadelijke stoffen stelselmatig terug te schroeven, wordt de regelgeving overigens voortdurend verstrengd.

In het kader van het Kyoto protocol bepaalde Europa dat alle nieuwbouwwoningen vanaf 2020 bijnaenergieneutraal (BEN) moeten worden gebouwd. Deze gebouwen gebruiken, zoals de naam verraadt, bijna geen energie om te verwarmen, te koelen of te ventileren. De gebruikte energie is bovendien afkomstig uit hernieuwbare energiebronnen, zoals zonnepanelen (zowel thermische als fotovoltaïsche zonnepanelen), een warmtepomp of biomassa. Bijna-energieneutraal bouwen wordt ook op verschillende manieren aangemoedigd. Wie nu al bijna-energieneutraal bouwt, kan bij bepaalde banken bijvoorbeeld een voordelig krediet verkrijgen.

HET LABEL ‘Ik BEN mee!’

Producenten van bouwmaterialen doen grote inspanningen om erkend te worden als ecologisch en duurzaam. Het Vlaams Energieagentschap reikt aan koplopers in de zoektocht naar innovatieve concepten het groene label ‘Ik BEN mee!’ uit, wat op zijn beurt vooruitstrevende bouwheren aantrekt, innovatie stimuleert en de prijzen doet dalen. Groene labels beïnvloeden al langer de manier waarop bedrijven zich positioneren in de markt. In België reikt het Vlaams Instituut voor Bio-Ecologisch Bouwen en Wonen (VIBE) bijvoorbeeld een label uit voor bio-ecologische producten, leveranciers, verkooppunten, aannemers en architecten. Een gekend internationaal label is BREEAM, dat een certificaat toekent aan gebouwen die voldoen aan een brede waaier van categorieën en criteria (energie, transport, water, materialen, afval…). De talrijke premies en subsidies stimuleren marktdynamieken en zullen energiezuinig bouwen op termijn betaalbaar maken. Op zich is dat prima. Maar er is weliswaar meer nodig om ecologisch te bouwen. Spaarzaam omspringen met ruimte en materialen, daar ligt de basis. Compacte woningen zijn in dat opzicht al een goed begin.

MILIEUVRIENDELIJKE MATERIALEN

De voorkeur gaat uit naar ‘nagroeibare’ en ‘hernieuwbare’ materialen zoals hout. Dergelijke materialen zijn niet alleen milieuvriendelijk, maar ook gezond om in te leven. Daarnaast worden ze lokaal geproduceerd, waardoor de ecologische voetafdruk van het transport wordt geminimaliseerd. Een selectie erkende bio-ecologische materialen is te vinden op de website van VIBE. Bio-ecologische materialen zijn gemaakt van (bijna) onuitputtelijke natuurlijke grondstoffen van plantaardige, dierlijke of minerale oorsprong.Grondstoffen afkomstig uit land- en bosbouw zijn nagroeibaar en kunnen altijd opnieuw gekweekt worden. Bovendien zijn ze heel makkelijk te recycleren of te composteren – zolang ze tenminste niet bewerkt zijn met chemische producten. Nagroeibare bouwmaterialen zijn bijvoorbeeld constructiehout, kurk als muur- of vloerbedekking of isolatiemateriaal, riet als dakbedekking, bamboehout voor de vloer of binnendeuren, kokos, schapenwol, hennep, vlas, stro, papiervlokken als isolatie, zetmeel en lijnolie om muren of hout mee te bewerken,.... Minerale materialen zijn afkomstig van grondstoffen die ontleend worden aan ons aardoppervlak, zoals gesteenten en klei. Mineralen zoals zand en klei, die ruimschoots voorhanden zijn, zijn weliswaar te verkiezen boven schaarse mineralen zoals zeldzame metalen. Bepaalde reststoffen uit de industrie, zoals rookgasontzwavelingsgips en materialen gemaakt van afval van gebakken klei, zijn ook aanvaardbaar. En ook baksteen wordt aanvaard als bio-ecologisch bouwmateriaal, al zijn bakstenen erg energie-intensief om te produceren. Leem is bijvoorbeeld een milieuvriendelijker alternatief. Naast energie en bouwmaterialen is ook water een kostbare hulpbron. Waterverspilling kan makkelijk aan banden worden gelegd, onder meer door spaarknoppen voor toilet en waterbesparende kranen voor bad, douche, lavabo en spoelbak te installeren. Door een regenwaterput te plaatsen kan je opgevangen hemelwater dan weer gebruiken voor het poetsen en wassen, de toiletspoeling en de bewatering van kamerplanten. Met een gescheiden afvoer kan je overtollig regenwater ook in de grond laten dringen om de grondwatervoorraden aan te vullen, of het regenwater op zijn minst apart van het vuile water behandelen. Regenwaterinfiltratie kan door middel van een ondergronds infiltratiesysteem, een gracht, een rietveld, een wadi of een groendak.

DE TRIAS ENERGETICA

De vraag naar comfortabel wonen is van alle tijden. Maar energie was niet altijd even goedkoop en overvloedig voorhanden. Het fossiele tijdperk heeft de bouwcultuur wereldwijd drastisch veranderd. Daarom is het zinnig om eens te kijken welke ‘passieve oplossingen’ traditionele bouwtypes zoal aanbieden. Want over de hele wereld vinden we bouwsels die al eeuwen gebruikmaken van ecologische principes. Op iglo’s na, zijn veel van die bouwtypes hier te reproduceren. Waar passieve middelen niet toereikend zijn, kan men ook voor energievriendelijke technieken kiezen: een verwarmingssysteem met een laag verbruik, energiezuinige verlichting, energiezuinige huishoudtoestellen, enzovoort. Dit alles past binnen de Trias Energetica, een driestappenstrategie om energiezuinig te ontwerpen. In de eerste plaats wordt verspilling van het energieverbruik tegengegaan. Vervolgens probeert men maximaal gebruik te maken van energie uit duurzame, hernieuwbare energiebronnen zoals wind-, water-, en zonne-energie. En de derde stap is zo efficiënt mogelijk gebruikmaken van fossiele brandstoffen om in de resterende energiebehoefte te voorzien. In zekere zin breekt bioklimatische architectuur met de heersende, modernistische opvattingen over architectuur. Sommige zaken zijn dan ook het best te illustreren aan de hand van hoe het niet moet. Denk maar aan het straatbeeld van zuiderse steden. Door de dominantie van Koning Auto zijn veel straten er verbreed. Koele, overkapte steegjes werden vervangen door brede lanen, waardoor de zon lager invalt en de stad veel sneller opwarmt. Uiteindelijk was energieverslindende airconditioning de laatste toeverlaat. We kennen de beelden van vakanties in het zuiden allemaal wel: appartementsgebouwen met een mozaïek aan airconditioningsystemen, lukraak opgehangen tegen de gevel. En zo zijn de ‘modernste’ wijken vaak nog het minst energie-efficiënt. Comfort en levenskwaliteit worden er duur betaald.

ZONDER COMFORTVERLIES: EEN MUST

Maar een ecologie van het bouwen is hoegenaamd geen pleidooi voor het herstel van verloren tradities of het verlies van het contact met de natuur. Het gaat erom onze ecologische voetafdruk op een lager niveau te krijgen, zodat onze planeet iedereen, ook de generaties na ons, blijvend kan voorzien in de levensnoodzakelijke behoeftes. Vandaar dat het evident is om eerst architecturale en bouwkundige ingrepen uit te voeren en nadien pas terug te vallen op technische installaties. Bioklimatische architectuur speelt in op de specifieke wetmatigheden van klimaat en omgeving, en vanaf de eerste ontwerpfase ligt de focus op de integratie van de natuurlijke bronnen. Technische installaties vullen enkel aan wanneer de natuurlijke middelen ontoereikend zijn. Men houdt rekening met oriëntatie, de indeling van de ruimten, het waterverbruik en de daglichttoetreding. En aangezien alles met elkaar verbonden is, kan men ook meedenken over het straatprofiel en het straatbeeld. Er wordt onder andere rekening gehouden met de thermische capaciteit van de gebruikte materialen. Men denkt na over systemen om de zon te weren, om op een passieve manier oververhitting en verblinding tegen te gaan. Men kan in het ontwerp ook een thermische trek (ook wel gekend als schoorsteeneffect) inplannen, of gebruikmaken van een windvang of luchtbevochtiging. Dit zijn allemaal passieve maatregelen die al eeuwenlang toegepast worden. De ecologie van het bouwen houdt uiteindelijk in dat men de natuurlijke leefomgeving de kans geeft om zich uit zichzelf te regenereren. Lang werd ecologisch bouwen geassocieerd met eenmalige investeringen zoals zonnepanelen en werd het als een nodeloze luxe gezien. Maar dergelijke investeringen mogen niet ten koste van het comfort gaan. Anders riskeert men de levenskwaliteit en daardoor ook de levensduur van de woning te verminderen.

DOOR JOHANNES VAN CAUWENBERGHE